abonneren
article
Carla Desain
Carla Desain

Wat maak je me nou: Nieuwsgierige kinderen leren meer

Maken om het maken is superleuk en leerzaam. Maar er zijn ook leraren die maak-activiteiten inzetten voor andere onderwijsdoelen. Waarom doen ze dat? En hoe? Werkt dat goed?
Montessorischool De Regenboog in Amsterdam Zuidoost nodigde Vives uit om te komen kijken hoe maken en Nederlands leren prima samengaan.


De Regenboog doet z’n naam eer aan: het is een school met veel kleuren, geloven en nationaliteiten. Kinderen die nog niet zo lang in Nederland wonen of van wie de ouders de taal (nog) niet goed spreken, komen een jaar lang elke dag een uur naar de schakelklas. Joke de Hoogh is daar een van de leerkrachten. “Hoe intensief we ook met taal bezig zijn en hoeveel aandacht ik ze ook geef, in dat ene uur per schooldag kunnen kinderen natuurlijk niet alle aspecten van het Nederlands leren. Ik probeer te zorgen voor zoveel mogelijk interactie en betrokkenheid. Als ik hun nieuwsgierig kan maken, gaat hun leervermogen helemaal aan. Ik hoop dat dat de rest van de dag nog doorwerkt. Daarom ben ik met de schakelklaskinderen gaan experimenteren, ontdekken en maken. Dat werkt echt heel goed; de kinderen gaan razendsnel vooruit en na een jaar kunnen ze vaak gewoon meedoen in hun eigen klas.” Een schakelklasmeisje mengt zich lachend in het gesprek en bevestigt: “Ik loop nu de hele dag te praten. Mijn vader noemt mij de tetterkoningin.”

Praten over wat er gebeurt
“We stimuleren dat de kinderen al makend en onderzoekend zoveel mogelijk praten. Ze praten over wat ze doen en wat ze denken. Ze leggen uit wat er gebeurt en waarom dat is. Daar leren ze de taal goed van”, vertelt De Hoogh. En inderdaad: het lokaal gonst van de maak-bezigheden en de bijbehorende gesprekjes tussen kinderen onderling en tussen kinderen en de juf:
Twee leerlingen laten de met de groep gemaakte knikkerbaan zien: “Kijk ik heb hier een roze stuiterbal en een blauwe knikker. De ene is groter en de andere is zwaarder. Welke zal het beste rollen? Oh, de knikker gaat zo snel, die vliegt eruit. Even de bocht in de baan anders maken. Ja, zo gaat het beter.” Zo gaat verder: “Juffrouw, mag de knikker in de hoge buis? Dan gaat-ie lekker hard en dan rolt-ie door de klas.” De Hoogh houdt de knikker bij de opening van de buis die bovenop de kast is vastgemaakt en vraagt: “Hoe ver zal de knikker rollen, denk je? Ga eens zitten bij de plek waar jij denkt dat hij stopt? Daar komt-ie, 1-2-3…” En roetsj, daar rolt de knikker tot het verste hoekje van het lokaal. “Ik zit het verste weg, maar de knikker rolt nog verder dan mijn plek.”
Een meisje demonstreert de werking van een katrol: “Til eens deze emmer met stenen? Zwaar hè? En als ik nu het touw door de katrol doe, trek dan nog eens. Dan weegt het weiniger.” De Hoogh verbetert subtiel: “Ja, zo kost het minder kracht.”
Twee andere kinderen spelen gereedschapslotto met plaatjes en opschriften over katrollen, hefbomen en scharnieren. “De piano, daar zit een scharnier in, die is voor mij. De koffer is ook voor mij. Nu de kurkentrekker, die hoort bij de hefbomen, die is voor jou.’
Aan een ander tafeltje spelen kinderen met stroomkringen: batterijen, draden, lampjes en motortjes. Ook hier druk gebabbel over wat ze van plan zijn en hoe het komt dat iets niet lukt. Ernaast wordt geborduurd. “Welke kleur draad wil je?” “Ik vind roze en donkerblauw het allermooist. Ik wil graag zo’n lijntje borduren dat lijkt op het lijntje dat je ziet als je een woord fout typt.” “Een zigzaglijn bedoel je?” “Ja, een zigzaglijn met roze draad.”

Zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid
De Hoogh licht toe wat er gebeurt in het lokaal: “Door te maken en te experimenteren leren kinderen dat ze zelf invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving. Ze ontdekken dat ze een lampje kunnen laten branden of een potlood kunnen laten ronddraaien op een motortje. Ze krijgen vertrouwen dat ze zelf kunnen bedenken hoe ze het kunnen oplossen als iets niet in één keer lukt: ‘Zou de batterij soms leeg zijn of is er iets anders aan de hand?’ Ze leren doorzetten en doorgaan. Als ze nieuwsgierig zijn geworden naar de werking van de katrollen in de knikkerbaan, zullen ze waarschijnlijk de grote katrol aan de hijsbalk van een grachtenhuis herkennen. En er met hun ouders over praten waarom die katrol daar hangt en waarvoor die wordt gebruikt. Dan gaat het leren van taal ook verder buiten de schakelklas. En dan hoop ik dat ze hun ouders de volgende dag meenemen om onze eigen katrol te demonstreren. Als ouders betrokken zijn bij wat er op school gebeurt, gaan de kinderen harder vooruit. Dat merken we echt.”

Uit de comfortzone
De schakelklas is niet de enige plek op De Regenboog waar maken een belangrijk onderdeel is van de lessen. Ook in de wekelijkse plusklas van intern begeleider Suzanne van Lier wordt gewerkt aan een knikkerbaan, een supergrote, door het hele lokaal. De opdracht van vandaag: “Maak met z’n allen één baan van karton en ducttape waar een tennisbal doorheen kan rollen. Werk in drie groepen, elke groep maakt een niveau; van bordrand naar tafel, van tafel naar kruk en van kruk naar vloer. Elk deel moet twee rechte stukken van een meter bevatten en een bocht. De delen moeten met een extra bocht bij elkaar komen.”
Van Lier legt waarom ze de opdracht gaf: “Deze (hoog)begaafde kinderen leren allemaal erg gemakkelijk. In de les hoeven ze zich niet zo in te spannen, cognitieve taken beheersen ze wel. Ik wil de kinderen uit hun comfortzone halen en hen stimuleren om zich volgens andere patronen te gedragen. Een complexe maakopdracht is daarvoor een aantrekkelijke manier. Hiermee komen vaardigheden aan bod die op school niet zo vaak aangesproken worden. Ze moeten ruimtelijk denken, een ontwerp maken en dan meten, knippen en plakken. Ondertussen moeten ze zich voorstellen hoe de bal rolt en hoe ze kunnen zorgen dat hij niet blijft steken of uit de baan vliegt. Ze moeten overleggen binnen hun eigen groepje, taken verdelen, samenwerken en hun plan afstemmen op de andere groepen. En ondertussen hebben ze een hoop plezier. Na afloop reflecteren ze op hoe het gegaan is, welke keuzes ze gemaakt hebben en hoe die uitpakten. Ze kijken naar hun eigen rol in de activiteit en wat ze geleerd hebben. En ten slotte geven ze elkaar (positieve) feedback.”

Sterker dan het materiaal
Op het moment suprême waarop de reuzenknikkerbaan in gebruik genomen wordt, blijkt een van de bochten te ondiep om de tennisbal binnenboord te houden. Met wat extra handen op die kwetsbare plek gaat het beter. Verderop blijft de bal steken in een iets te krappe buis. De buis wordt opengeknipt, de bal is weer vrij en rolt verder naar het eind van de baan.
Bij de feedbackronde zegt een meisje tegen een ander: “Jij hebt echt zelfvertrouwen. Als iets niet meteen lukt, zeg jij: ‘Ik probeer het nog eens. Het komt vast goed; ik ben sterker dan het materiaal’. Dat vind ik bijzonder.” Suzanne zit er trots bij te kijken, opzet geslaagd.

blog comments powered by Disqus