Ondiepe wateren: internet en onze hersenen

Kunnen we als homo zappiens meer met ons brein dan vroeger? Of wordt het wel meer, maar ook oppervlakkiger? Kunnen we door veelvuldig webgebruik nog wel een stevig boek lezen? Wat doet internet met ons brein? Dat zijn belangwekkende vragen, zeker voor het onderwijs.

Enkele maanden geleden las ik het boek The shallows. What the internet is doing to our brains van de Engelse auteur Nicholas Carr. Carr was onlangs in Nederland voor de presentatie van de Nederlandse vertaling van zijn boek. Carr geeft een persoonlijke impressie van wat de negatieve effecten van internet zijn op hem en zijn brein en zoekt daarvoor bewijzen in de wetenschap. Kerneigenschap van ons brein is de door neurowetenschappers ontdekte plasticiteit van dat brein. Dat betekent dat ons brein zich na verloop van tijd aanpast aan ingrijpende gewijzigde omstandigheden. Bepaalde neurocircuits verzwakken en nieuwe ontstaan. Na een beschadiging door bijvoorbeeld een hersenbloeding nemen andere delen van de hersenen bepaalde functies [spreken, lopen etc.] wonderwel over. Maar wat ook geldt is: ‘If you don’t use it, you lose it’. Denk aan onze spieren. Sommige van onze mentale vaardigheden [zoals geconcentreerd lezen] gaan volgens Carr door gebrek aan oefening sterk achteruit doordat de verantwoordelijke neurologische circuits in onze hersenen verzwakken [ te weinig oefening]. Een door Carr geciteerde Amerikaans onderzoeker vraagt zich af of hij nog in staat is Tolstoy’s Oorlog en Vrede te lezen. Andere mentale activiteiten, zoals multitasken en het lezen van louter hypermedia-teksten eisen daarbij hun ruimte in onze hersenen op. Survival of the busiest wordt het ook wel genoemd.

Carr’s lange, interessante uitstapjes naar kunst, cultuur en technologie, zoals de geschiedenis van de boekdrukkunst, dragen in essentie niet bij tot zijn bewijsvoering. Uit neurowetenschappelijk onderzoek lijken er wel aanwijzingen te bestaan dat er zaken in ons brein veranderen. Al vraag je je af of je zover in je conclusies mag gaan als Carr doet. Ik geloof zeker dat er naast positieve ook negatieve kanten zitten aan het [te] veel leunen op internet en zoekmachines, maar dat geldt voor elk bovenmatig gebruik.
Carr gaat lang in op het Eliza-voorbeeld van de in 2008 overleden computergeleerde Weizenbaum. Eliza is een programma waardoor het lijkt of een computer, als ware hij een psycholoog die met je communiceert, en je schijnbaar ‘begrijpt’. In wezen berust Eliza slechts op een aantal feedbacktrucs. Het bewijst hoe makkelijk je wordt beetgenomen. Weitzenbaum was een verklaard criticus van de extreme claims van de Kunstmatige Intelligentie.

Carr gaat soms erg makkelijk met zijn materiaal om. Neem zijn interpretatie van het werk van de linguïst Noam Chomsky [óók recent op bezoek in ons land]. Deze is gebaseerd op een boek van David Golumbia uit 2009. Carr voert Chomsky op als bewijs dat we de computer als metafoor voor ons brein gebruiken. Dat doet Chomsky juist niet, integendeel. Hij legde wel de basis voor de [theoretische] informatica door zijn onderzoek naar de formeel/wiskundige eigenschappen van grammatica’s. Formele grammatica’s zijn uiteraard programmeerbaar, stelt Chomsky, maar daarmee zijn het nog geen adequate beschrijvingen van wat ons brein met menselijke taal doet. Alles wat programmeerbaar/berekenbaar is, is geschikt voor de Turingmachine, de theoretische oercomputer. Dat is voor een beschrijving van onze taal en bijbehorende grammatica niet zo interessant. We willen de set van mogelijke mensentaalgrammatica’s juist inperken: alleen zo komen we tot de formulering van de eigenschappen van de Universele Grammatica die verklaart waarom we als kind elke taal zo snel kunnen leren.

Jan Lepeltak
j.lepeltak@lepeltakenpartners.nl
http://lepeltakenpartners.wordpress.com