De prijs van content
Er gebeurt veel op het gebied van contentontwikkeling. Dan heb ik het niet zozeer over de aard van content maar over de [financiële] voorwaarden waaronder educatieve content wordt ontwikkeld en aangeboden, ook wel aangeduid als het businessmodel. Want hoe je het ook bekijkt, content kost geld. Op de vorige maand gehouden i&i-conferentie zagen de aanwezigen [veelal docenten en ict-coördinatoren] de verschillende uiteinden van het ontwikkelspectrum langskomen. Je zou globaal vijf modellen kunnen onderscheiden:
1. Het individueel vakgerelateerde model [pull-principe]. Het begint met een vraag van een docent via bijvoorbeeld een vak community’s op internet zoals die van de digitale school. Een lerares Nederlands zoekt iets voor de lessen tekstbegrip en doet een oproep aan haar collega’s [pull]. Vervolgens zijn er docenten die iets hebben ontwikkeld en dat beschikbaar stellen. We kennen diverse succesvolle community’s zoals die voor docenten Nederlands [meer dan 9000 leden] geleid door Willy Weijdema. De individuele docent ontwikkelt content en stelt zelfontwikkelde content ook beschikbaar voor anderen. Er ontstaat een relatie tussen vrager en aanbieder, wat belangrijk is.
2. Het vrijemarktmodel [push-principe]. Denk aan Wikiwijs van voormalig minister Plasterk. De oorspronkelijke opzet was het gratis halen en brengen van content. Er ontstaat dan een soort vrije markt of beter vrije ruilmarkt, hoopte hij. Ik had en heb mijn twijfels bij deze insteek. De toegevoegde waarde van Wikiwijs is wel dat de content gemetadateerd is [iets dat Wikiwijs desgewenst voor je doet], zodat zoeken eenvoudiger wordt. Gebruiker en aanbieder blijven in principe anoniem, dat stimuleert niet. Met een echte wiki heeft Wikiwijs weinig te maken.
3. Het coöperatieve model. Docenten ontwikkelen content in georganiseerd verband, daarvoor gefaciliteerd door de school. Meestal wordt bestaande content gearrangeerd [dat kost hoe dan ook docenturen, dus geld]. Voorbeelden vinden we onder meer bij een groep scholen in het Gooi. Ook binnen de onderwijsvernieuwing coöperatie [OVC] werd door een aantal scholen gezamenlijk gearrangeerd en ontwikkeld. De OVC is inmiddels opgegaan in het project VO-content van de VO-raad. Zie hieronder.
4. Het semi-open contentlicentiemodel. VO-content is een door de VO-raad geïnitieerd project. Open aan de aanbiederskant, gesloten aan de gebruikerskant. Inmiddels noemt VO-content zich dé open digitale leermaterialenbank voor het voortgezet onderwijs en die wordt ontsloten via Wikiwijs [www.wikiwijs.nl/sector/vo/home.psml]. De ambities van VO-content liegen er niet om. Men belooft dat er in 2015 voor alle vakken complete leerlijnen zijn ontwikkeld die alle kerndoelen en eindtermen van vso tot en met gymnasium zullen dekken. De kosten bedragen 7 euro per leerling, te gebruiken voor actualisatie, onderhoud, beheer en doorontwikkeling van leermateriaal.
5. Het gesloten contentlicentiemodel. ThiemeMeulenhoff maakt nu haar content geschikt voor de iPad. Het betreft vooralsnog vooral ‘shovelware’: alle schoolmethodes die als pdf de iPad op worden geschoven. Dat is ook de bedoeling. Het verkoopargument is dat deze manier van werken lekker dicht bij het gebruikte schoolboek blijft. Innovatie? Hoe bedoelt u? Je neemt in principe als school het hele pakket digitaal [alle vakken] uit het fonds van ThiemeMeulenhoff. Afzonderlijk een methode kopen kan ook maar dan betaal je wel een stuk meer. Handig zijn de prikkers, een soort digitale post-it papiertjes, die je kunt plaatsen in je iPad-tekstboek en ook de internetlinks die je kunt opnemen. Dat kun je als leerling doen, maar je kunt ook prikkers van andere leerlingen of van de auteurs gebruiken.
Aan alle modellen zitten voordelen in prijs en kwaliteit. Het ontwikkelen van een leermiddelenbeleid op elke school is inderdaad een noodzaak. Lastig is wel is dat de meeste adviseurs ook de aanbieder zijn.
Jan Lepeltak
j.lepeltak@lepeltakenpartners.nl
lepeltakenpartners.wordpress.com

