Alfa in de aanval

Vanaf het midden van de jaren 80 heb ik mij sterk gemaakt voor de alfacomponent in de schoolvakken informatiekunde [dat nog nauwelijks bestaat] en informatica [staat als vak onder druk]. Maar ook voor het bèta-element in het vak Nederlands. Oorspronkelijk als leraar Nederlands en later als leer-planontwikkelaar. Op den duur krijg je wel het gevoel dat je argumenten wat sleets worden. Je lijkt steeds meer die roepende in de woestijn. Daarom is het verheugend dat Rens Bod, hoogleraarComputationele en Digitale Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, het belang van de alfawetenschappen weer onder de aandacht brengt. Zonder theoretische taalwetenschap geen formele grammatica’s en dus geen hogere programmeertalen en uiteindelijk geen iPhone. Wat kort door de bocht misschien, maar daarom niet minder waar. Lees zijn argumenten in zijn boek De vergeten wetenschappen [2010] en op zijn zeer leesbare weblog devergetenwetenschappen.blogspot.com. De eerste Nederlandse wetenschapper die bewees dat exactheid, taal en oosterse mystiek heel goed samengaan, is de briljante Nederlandse filosoof, wis- en natuurkundige en kenner van het Sanskriet en Indische filosofie (emeritus) hoogleraar Frits Staal. Dat laat hij zien in zijn boek Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap. Staal heeft een groot deel van zijn werkzame leven aan de Universiteit van Californië doorgebracht, nadat hem het werken aan een Nederlandse universiteit in de jaren 60 van de vorige eeuw onmogelijk was gemaakt. Ja, zo ging dat toen. Staal moest niets hebben van Duitse filosofen zoals de [naar later bleek] in WO II foute Duitse filosoof Heidegger met zijn beroemde uitspraak: Das Nichts nichtet. Begrijpt u het of begrijp ik het? Hij schreef in het maandblad De Gids in 1967 dat dit soort filosofie wetenschappelijk gezien zinloos is, indachtig de uitspraak van de filosoof Wittgenstein in zijn Tractatus: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’Niet dat Staal erg veel school heeft gemaakt in Nederland. Speculatieve filosofie, met veel aandacht voor levensvragen is nu weer heel erg in. Waait wel weer over. Staal toont aan dat het onderscheid alfa-bèta eigenlijk een westerse uitvinding is. De Indiase taalkundige Panini schreef 2500 jaar geleden een grammatica voor het Sanskriet [een oude dode taal net zoals het Latijn] waarin hij de basis legde voor een formele beschrijving van taal en het verschijnsel recursie ontdekte. Recursie, een zin met daarin een zin, is een uiterst krachtig middel gebleken onder meer om hogere programmeertalen te ontwikkelen. Het was de taalkundige en filosoof Noam Chomsky die het werk van Panini van stof ontdeed. Onlangs is er weer een vertaling van het werk van Panini verschenen. De voorlaatste dateert van 1923. René Franquinet, voorzitter van informaticavereniging i&i, stelde dit jaar tijdens het Nationaal Informatica en Onderwijscongres [NIOC 2011] dat de status van het vak informatica in het VO niet al te hoog is. Er is geen centraal examen, de belangstelling van leerlingen houdt niet over en schooldirecties overwegen het vak af te schaffen. Men weet vaak niet wat je met het vak kunt gaan doen. Jammer. Informatica is een belangrijk vak dat veel meer aandacht verdient. De technologie verandert wel en wordt steeds complexer en er komen steeds meer toepassingen bij, maar de theoretische kern blijft onveranderd [zolang we nog niet over kwantumcomputers beschikken]. Conclusie: besteed meer aandacht aan de kern van de informatica, dus ga de diepte in, in plaats van alleen in PHP-programmeren. Om informatica te kiezen hoef je geen wiskundemeisje te zijn. Daar komt nog bij dat er volgens ramingen de komende jaren een tekort aan informatici dreigt van tussen de 40 en 80.000. Dus werk zat. Jan Lepeltak j.lepeltak@lepeltakenpartners.nl